Leupen met Reuderick (7).
In mijn voorgaande column heb ik u gemaand de marathon zeker niet te lopen. Ook deze keer wil ik u daarvoor ten diepste waarschuwen, ik heb in algemene zin al aangegeven dat u zeker last zult krijgen met uw lichaam; u zult zeer teleurgesteld zijn ondanks een enigszins euforisch gevoel na het overschrijden van de finishlijn. Dat gevoel kan vrij snel al ontaarden in een poging van uw maag zich op onorthodoxe en snelle wijze te ledigen. Ook uw spieren zullen nog dagenlang protesteren tegen de ondergane mishandeling; u zult zich een enigszins andere wijze van voortbewegen eigen dienen te maken, zeker op trappen komt dit duidelijk tot zijn recht.
Laatst kwam mij ter ore dat er stumpers zijn die zelfs grotere afstanden dan de marathon hardlopend trachten te overbruggen, er zijn er die dit zelfs lukt. Alle afstanden boven 10 km nopen een weldenkend mens al zijn automobiel voor te laten rijden om zich op ordentelijke wijze voort te bewegen, laat staan afstanden die de marathon ruimschoots overschrijden. U leest het goed, deze lieden bestaan, het is gelukkig een kleine groep, doch zij kunnen zich vrij in onze maatschappij begeven. Vrinden, houdt u verre van deze lieden, zij zijn zo mogelijk nog erger dan marathonlopers! Men herkent ze aan een uitgemergeld voorkomen, een doffe blik in de ogen en een slepende voetstap.
Hierna volgt een stukje uit het relaas van zulk een mens, het zal u de schellen van de ogen doen vallen.
De eerste 40 kilometer verlopen vlekkeloos op schema. Ik loop de rondes als een Zwitsers uurwerk en voel geen centje vermoeidheid. De tien kilometer die erop volgen gaan iets moeizamer, maar ik kom toch door in 3,47 uur. Na ongeveer 53 kilometer slaat de kramp plots toe in mijn rechterkuit. Niks aan de hand, je kunt er als het ware ‘omheen’ lopen door de kuit niet te belasten en meer met het bovenbeen te gaan lopen. De kramp verdwijnt weer, maar het is toch een waarschuwing. Het gaan langzaam maar consequent moeizamer, maar dat had ik zo berekent. Toch schrik ik als bij het 60 kilometerpunt blijkt dat ik 55 minuten over de laatste tien kilometer heb gelopen. Ik had gedacht dat ik nog iets sneller zou zijn.
Na het zestig kilometerpunt loopt de weg, net als na alle doorkomsten, nog even rechtdoor en daarna linksaf. Als ik linksaf het rustige pad op loop – het was namelijk erg druk met toeschouwers in de finishstraat – slaat de kramp toe. Het rechterbovenbeen, de rechterkuit en het linkerbovenbeen lijken elkaar als een symfonisch kramporkest af te wisselen. Het voelde als een donderslag bij heldere hemel, maar dat was het achteraf niet. Ik had veel te weinig gedronken. Een grote beginnersfout. Maar die mag ik maken, vind ik zelf. Het lopen werd op die manier erg pijnlijk en ik besluit een paar honderd meter later even te gaan zitten langs de kant. Een paar minuutjes later probeer ik weer te lopen, maar de kramp slaat weer toe. Nog maar eens stoppen. Plotseling besef je dat het wel erg moeizaam gaat. Gek genoeg kun je op dat moment alleen nog maar denken aan alle moeizame aspecten van zo’n loop, waar je eerst in gedachten bezig was met muziek, geschiedenis, en tal van andere op dat moment irrelevante zaken.
Bij kilometer 63 ga ik weer liggen. Het publiek bood me gedurende die korte stops steeds water aan, waar ik dan ook gebruik van maakte. Op dat moment lijkt de kramp ook tussen je oren te kruipen; hoe moet je op deze manier nog 37 kilometer gaan lopen? Het lijkt of iemand met een hamer op de knieschijven heeft geslagen en de maag lijkt zich nog maar eens om te draaien. De voeten doen ook zeer. Kortom, het lijkt wel overal pijn te doen. Na 64 kilometer stop ik weer. De kramp komt steeds opnieuw opzetten en ik besluit even de schoenen uit te doen. Bezorgde toeschouwers informeren: ‘Ga het wel, kan ik je helpen?’ ‘Alleen water graag.’ De toeschouwers begonnen me overigens wat tegen te staan. Velen van hen gebruikten dit evenement om zichzelf vol te laten lopen met alcohol. Gelukkig waren er ook veel oprechte supporters die alle ultralopers gedurende de gehele wedstrijd volgden en aanmoedigden.
Ik strompel en wandel verder en besef dat het niet meer gaat. Dit kan ik niet nog eens vier uur gaan volhouden! Alles glipt uit je handen, geen clubrecord, sterker nog: zelfs uitlopen wordt onmogelijk. Na ongeveer 66 kilometer ga ik weer langs de kant zitten. Langdurig. Ik hoor de toeschouwers praten: ‘Hij heeft het opgegeven.’ Klopt! Alleen zal ik tot het 70 kilometerpunt doorlopen zodat ik m’n spullen bij de doorkomst kan pakken en kan gaan douchen. Het is genoeg geweest. Ik ben nog nooit uitgestapt tijdens een marathon of ultraloop en nu lijkt het toch te gaan gebeuren. Ik sta nota bene in de krant maar ga de wedstrijd niet uitlopen. Ik hoor de negatieve en spottende reacties al. Tussen de oren is het oorlog: ik wil niet stoppen maar ik weet dat nog eens dertig kilometer lopen te veel van het goede is. De benen blijven zich krampachtig gedragen en ik ben helemaal leeg. Ik voel me belazerd door m’n eigen lichaam; geen enkel slecht signaal en dan ineens de man met de hamer!
Als ik richting het bord van de 8 kilometer wandel, 68 kilometer dus, krijg ik een opmerking toegeworpen van een vrouw. Ze schreeuwt: ‘Pas op! Wandelaars!’ Ik weet dat het aan mij is gericht maar besluit er niet op in te gaan. Als ik door de mooist versierde straat loop pak ik langzaam weer wat tempo op, het is tenminste geen wandelen, hoewel het erg onooglijk uit ziet. Ik loop door het kleine stukje bos of park en sla vervolgens voor de zevende keer scherp naar links. In die straat zitten een heleboel mensen voor hun huis achter een tafel met een biertje in de hand. Eigenlijk is dat langs het hele parcours zo. Er staan op vele plaatsen boxen in de tuin waaruit of eigen gekozen muziek klinkt of ‘Radio Run’ – de lopers kregen op die manier ook flarden mee van het wedstrijdverloop.
Achter een van die tafels gebeurt het. Eerder die dag had daar nog iemand in een microfoon staan zingen, niet eens zo slecht, maar nu leken sommigen toch te veel te hebben gedronken. Ik sukkel voorbij de tafel en plots begint een van de mensen achter de tafel te praten. Beeld je het type maar in: man, jaar of vijfendertig, lang naar achter gekamd haar, dikke buik van het drinken en doorligplekken op de rug van het-op-de-bank-liggen. Zo’n type dus. Ik kan me de precieze bewoordingen niet meer herinneren, maar hij heeft me gedurende tien seconden behoorlijk wat zaken toegevoegd. ‘Je moet stoppen. Dit heeft geen zin, het ziet er niet uit. Hallo! Stoppen!’ Ik wist meteen dat hij tegen mij aan het praten was hoewel er wat estafettelopers in de buurt liepen. Ik stop, zet mijn zonnebril af en draai me in zijn richting.. Ik kijk hem een tiental seconden aan. Hij blijft praten en beledigen, hoewel een aantal van zijn vrienden/familie aan de tafel hem maant te stoppen met deze onzin. Hij blijft doorgaan. Ik kan hem van geen repliek bedienen en weet überhaupt niets uit te brengen behoudens een ongecoördineerd misbaar met een van m’n armen. Ik zet m’n bril weer op een loop verder. Ik ben des duivels en besluit van het ene op het andere moment om de Run uit te lopen. Ik laat me niet uit de wedstrijd praten door deze dronken druiloor! Als ik achteraf nuchter naar de situatie kijk, had ik hem gewoon op z’n bek moeten timmeren.
Dit gekke moment betekende wel een ommekeer. Vanaf dat moment pakte ik het lopen weer op. Ik wist dat ik me tergend langzaam moest herpakken. Kilometer voor kilometer, bij elke post even stoppend om cola te drinken en wat fruit en suiker te eten. Bij de doorkomst 70 kilometer bleek ik 1,22 uur over de laatste tien kilometer te hebben gedaan. Dat maakte niks meer uit. Geen snelle tijd meer, uitlopen was nu het doel, en dat was al heel wat. Het was pijnlijk, maar ik bleef bewegen. Van 70 tot 80 kilometer heb ik me behoudens enkele korte stops herpakt. De cola begon z’n werk te doen. Bij het ingaan van de een na laatste ronde wist ik dat het ging lukken. Geen euforisch tempo maar tien kilometer per uur. Dat is in zo’n situatie meer dan genoeg. Je bent totaal verstijfd en leeg. Je moet aan andere dingen denken en niet meer luisteren naar je lichaam.
Dan de bel – prachtig geluid op dat moment! – bij het ingaan van de laatste ronde. Ik heb wat reserves op kunnen bouwen en weet dat een tijd er onder de negen uur in zit, mits ik versnel. Dat lukt. Een schone blonde, deelneemster aan de estafette, spreekt ondersteunde woorden uit op het moment dat ik toch weer een paar seconden toegeef aan het lichaam. Ik besluit haar te volgen en doe dat wel negen kilometer lang tot de finish. Eindelijk. Ik kreeg meteen een deken om me heen geslagen en werd ondersteund richting de sporthal.
…………..
u ziet hoe het de mens die honderd (……) km te voet aflegt vergaat. Nu is mij bekend dat in vroeger tijden wij edellieden ons voetvolk hadden die de nodige lange afstanden te voet aflegden, maar hier werd geen ophef over gemaakt, het was hun beroep, men moet daarover verder niet miezemauzen.